BESTELADRES BACK   NEXT

Pelgrimage van smaragd

Annemarie Latour en Frank Bosman

Afgelopen najaar verscheen een bijzonder boek van Annemarie Latour en Frank Bosman: 'Pelgrimage van smaragd. Een inspirerende route door Keltisch Ierland'. Zij beschrijven daarin twaalf bestemmingen, die gekleurd zijn door het Keltisch christendom, vertellen de verhalen van vroeger en brengen die in verband met hedendaagse culturele uitingen. De associaties zijn soms verrassend, met uitstapjes naar de wereld van de literatuur, film, role playing games en computerspellen.

Keltisch christendom

'Pelgrimage van smaragd' bestaat feitelijk uit twee delen. Het eerste deel is een introductie van het Keltisch christendom aan de hand van een aantal thema’s. Latour en Bosman hebben een eigen synthese gemaakt uit de geraadpleegde literatuur. Ze komen tot de volgende kenmerken:

De 'kracht van plaats'

Al in de voorchristelijke Keltische spiritualiteit was er sprake van 'thin places', plekken waar de sluier tussen onze wereld en de wereld van de geesten en de goden (onder- en bovenwereld) ragfijn was. Hemel en aarde raken daar elkaar. Ook nu nog wordt van Iona gezegd, dat het een ‘thin place’ is. Latour en Bosman verbinden hieraan het begrip 'peregrinatio (pro Christo)', de innerlijke en uiterlijke pelgrimstocht. In het Keltisch christendom nam de pelgrimage een belangrijke plek in. Talrijk zijn de verhalen over Ierse monniken die hun vertrouwde omgeving verlaten om op reis te gaan naar een heilige plek of naar hun 'plaats van opstanding', de plek waar hun ziel een thuis kon vinden, kortom een geschikte plek om te sterven.

Zielsverwantschap

De Ieren hadden een speciale vorm van geestelijke begeleiding, die 'zielsverwantschap' of 'anamchara' werd genoemd. Geen biechtvader, maar wel iemand die eerlijk en oprecht tegen je is, en bij wie al je gedachten veilig zijn. Je koos je 'zielenvriend' ook uit en verbleef er soms een aantal jaren bij om dan weer verder te trekken. Het Keltische christendom kende geen echte dorpen of steden, maar soms wel grote kloostergemeenschappen. Vergeet daarbij de grote stenen complexen die we kennen van de Benedictijnse kloosters. Ierse kloosters waren verzamelingen van hutjes, werkplaatsen en een kleine kapel.

Aanwezigheid Gods

Voor Keltische christenen was God overal aanwezig: van de zon en de maan tot in de kleinste bloem en vogel. De schepping werd beschouwd als intrinsiek goed. Verbeeldingskracht
Met hun gevoel voor de goedheid en schoonheid van de schepping werden ze als het ware medescheppers, aldus Latour en Bosman. Ze hebben oog voor het heilige om hen heen en brengen dat ook tot uiting. "Zij herkennen de kracht van het gesproken woord en de zegenende woorden die zij zelf kunnen uitspreken." (p. 25) De Keltische hoogkruisen en evangelieboeken als het Book of Kells zijn hier ook uitingen van.

Eigenzinnigheid

De reisdrang die aanzette tot het vele pelgrimeren ging ook gepaard met een grote missionaire gezindheid. Ierse monniken brachten het christendom naar Schotland (Iona) en Noord-Engeland (Lindisfarne), maar stichtten ook kloosters in Frankrijk, Zwitserland (Sankt-Gallen) en Italië (Bobbio). Onze eigen Willibrord komt uit Noord-Engeland en heeft zijn opleiding in Ierland gehad. Het Keltisch christendom stoelde deels op het Oosterse monnikendom. Men had een aantal eigen gebruiken, die afweken van gebruiken die in Rome en elders gewoon waren. Dat betrof bijvoorbeeld de wijze van kruinschering en de berekening van de Paasdatum. In veel literatuur worden de verschillen opgeklopt tot een conflict tussen een autonome Keltische kerk en de ‘Roomse’ kerk en is de regionale Synode van Whitby (664) het moment waarop de Keltische kerk het onderspit moet delven.

Na deze schets nemen Latour en Bosman enig gas terug. Ze laten zien, dat het Keltisch christendom waarschijnlijk meer de constructie is van een romantisch verlangen naar een paradijselijk verleden dan historische werkelijkheid. Zich sterk baserend op het boek ‘Celtic Christianity’ van Ian Bradley (1999) beschrijven ze zes historische perioden waarin veel aandacht was voor het Keltisch christendom. Elke periode haalde vooral die aspecten naar voren, die contrasteerden met de eigen situatie of de eigen boodschap kracht bijzetten. Dat begon al bij de schrijvers van de heiligenlevens in de zevende en achtste eeuw en zien we nu bij de voorstanders van ecologie, holisme en new age. Latour en Bosman erkennen, dat niet alles wat nu gezegd wordt over het Keltisch christendom dat de moderne cultuur aanspreekt, overeenstemt met de historische werkelijkheid van de periode tussen 400 en 800, maar ze willen zich daar niet door laten weerhouden. Met graagte mengen ze in het hoofddeel van het boek historische gegevens met verhalen van Ierse heiligen, elfen en mythologische voorouders. Nu eens schrijven ze over geschiedenis en folklore om daarna uitstapjes te maken naar film, games, muziek, spiritualiteit en theologie.

Reisverslagen

Het hoofddeel van het boek wordt gevormd door twaalf reisverslagen, die in willekeurige volgorde gelezen kunnen worden. De schrijvers presenteren ze in de vorm van een Ronde van Ierland met start en finish in Dublin. De twaalf halteplaatsen hebben ze gekozen, omdat ze in hun ogen hoogtepunten vormen van de Ierse spirituele traditie. De Gouden Eeuw van het Keltisch christendom neemt daarbij een belangrijke plaats in. Zo maken we kennis met oorden die nauw verbonden zijn met Keltische heiligen. Vanzelfsprekend de grote drie: Kildare vanwege Brigid, Croagh Patrick vanwege Patrick, en Kells en het Book of Kells vanwege Columba. Maar Brandaan (Cahersiveen) en Kevin (Glendalough) ontbreken niet. Soms gaat de belangstelling van de schrijvers uit naar voorchristelijke plekken zoals de grafheuvel van Newgrange of de elfenheuvel van Tiveragh. Dan weer hebben de plekken een veel jongere historie. De Honan Chapel in Cork is gebouwd in de jaren 1915 en 1916. De ramen hier verwijzen naar legenden en verhalen rondom heiligen en dieren. En Knock is tegenwoordig een bekende bedevaartsplaats vanwege een Mariaverschijning op een zomeravond in 1879. Bij elke plek weten de auteurs interessante uitstapjes te maken, die duidelijk maken hoe bepaalde thema’s en verhalen doorwerken in de hedendaagse literatuur en cultuur.

Enige kanttekeningen

Ik heb over het algemeen genoten van het boek. Zo was voor mij nieuw, dat Skellig Michael de meest westelijke punt zou zijn van de zogenaamde Apollo/Michael as, een geografische lijn door Europa waaraan oude cultusplaatsen liggen. Die zou van Skellig Michael via St Michael’s Mount (Cornwall) en Mont St Michel (Bretagne) lopen naar Frankrijk, Italië en Griekenland tot aan de berg Karmel. (p. 97).

De auteurs vermoeden, dat het eiland in de tiende eeuw aan de aartsengel Michael is toegewijd, omdat deze rots in de Atlantische Oceaan niet het paradijs op aarde is, maar een hard bestaan met grimmige elementen. Martin Palmer (2012) stelt in zijn boek over heilige plaatsen in Groot-Brittannië dat kerken die aan de aartsengel Michael zijn gewijd, meestal op een heuvel staan en/of aan de noordkant. Michael is de beschermengel die tegen Satan heeft gevochten en hem uit de hemel heeft geworpen. Hij is dus de beschermer van de christenen tegen kwade krachten. Daarom staat hij vaak op een heuvel in het noorden om deze nederzetting te beschermen tegen deze kwade krachten uit het noorden. Hij treedt niet zelden in de plaats van Keltische heuvel of berggoden – dat zou dan wel weer kloppen met die oude cultusplaatsen.

Minder gelukkig ben ik met de overbelichting van de positieve en lichte aspecten van het Keltisch christendom. Daarin volgen Latour en Bosman de vroege Bradley, die in zijn eerste boeken het Keltisch christendom typeerde met drie P’s: poëzie, presentie en pelgrimage. Die zijn herkenbaar in hun kenmerken. Later voegde Bradley er een vierde P aan toe van penitentie. Ascese en boetedoening waren evenzeer kenmerkend en de anamchara kon ook een strenge en sobere leefwijze adviseren. De kracht van het gesproken woord uit zich niet alleen in zegeningen, maar ook in vervloekingen. In zijn heiligenleven van Columba geeft Adomnan daar herhaaldelijk voorbeelden van, tot en met een man die dood neervalt na zo’n vervloeking.

In hun inleidende hoofdstuk stippen Latour en Bosman wel aan, dat protestanten en katholieken onderling strijd voerden over de interpretatie van het Keltisch christendom. Voor protestanten liep er een rechte lijn van het Keltisch Christendom tot de Reformatie en was de periode tussen de Synode van Whitby en de Reformatie maar een hinderlijke terugval. Voor katholieken was er een veel minder groot verschil tussen de periode voor en na deze Synode. Dat katholieke en protestantse auteurs samen kunnen werken in de bestudering van deze periode, is een verworvenheid van de laatste paar decennia. Dat in Ierland ook eeuwenlang een conflict heeft gewoed tussen een protestantse bovenlaag en het katholieke volksdeel komt niet aan bod. Ik vind dat een misser.

Jan Maasen

BACK TOP